Waarom / doel van de activiteit
Kennismaken met een eenvoudige vorm van geolocatie door middel van drie-woordencombinaties.
Beschrijving van de activiteit
Rebbel is vandaag weer vrolijk door het dorp Hotsjietonia aan het huppelen.
Zoals altijd wil ze even langs haar dierenvrienden, want met de dieren valt áltijd wel iets leuks te beleven! Maar… Rebbel weet nog niet precies wát ze vandaag gaat doen. Dat laat ze graag aan de Bevers over!
Ze heeft overal in het dorp leuke plekjes waar Hond, Poes, Eekhoorn en Wezel graag zijn. En bij elk plekje kan je weer een ander soort spel doen. Omdat Rebbel het superleuk vindt om de Bevers zelf te laten ontdekken wat ze gaan doen, heeft ze driewoord-hints gemaakt:
- Één woord vertelt waar ze moeten zijn
- Één woord vertelt wat voor soort activiteit Rebbel daar bedacht heeft
- Één woord vertelt welk materiaal ze daarvoor nodig hebben
“Jullie mogen kiezen,” zegt Rebbel. “Kies een dier, een object en een materiaal. Met die drie woorden vinden jullie op de kaart precies waar we naartoe gaan, wat we daar gaan doen en wat we nodig hebben. Wat heb ik vandaag in petto?”
De Bevers gaan op pad om zelf te ontdekken wat Rebbel van plan is – want waar Rebbel is, is altijd een avontuur!
Speluitleg
1. Intro (2–3 min) – Rebbel nodigt uit
Rebbel: “Kies drie woorden en ontdek waar we iets leuks gaan doen: een dier, een object en een materiaal.” Maak groepjes van ca 4-5 bevers die begeleid worden door een staflid of verdeel de stafleden over de aan de thema-dieren gekoppelde gebieden.
2. Kiezen (2–4 min) – De drie woorden
Elk groepje (2–4 Bevers) kiest:
- Dier → bepaalt plek op de kaart (Hond/steen = gebouw, Poes/tegels = plein, Eekhoorn/bomen = bos, Otter/gras = veld).
- Object → bepaalt spelsoort op die plek (karton/lintjes/doeken/loep/…).
- Materiaal → bepaalt wat ze meenemen uit het materiaalstation.
De combinatie vormt een driewoord‑hint. Voorbeeld: Eekhoorn – lintjes – bal → bomen – lintjes – bal. Zie voorbeeldcombinaties, je kan dit voorbereiden ;)
3. Zoeken op de kaart (2–3 min)
De Bevers zoeken op de kaart het subvak dat klopt met hun combinatie (plek-woord + object-woord). Ze wijzen het vak aan (“bomen – lintjes!”)Ze pakken het materiaal dat bij het derde woord hoort.
4. Spelen op de plek (8–10 min)
Ga naar de echte locatie. Gebruik het opdrachtkaartje dat past bij object & materiaal. Speel, rond af, wissel combinaties en laat een nieuw groepje kiezen.
5. Herhalen & doorwisselen
Wie klaar is, kiest een nieuwe combinatie. Varieer, zodat alle plekken en speltypes langskomen.
Voorbeeldcombinaties:
1) Poes – karton – kleurstiften → tegels – karton – stiften
Plek: Plein (tegels) — Speltype: creatief — Materiaal: kleurstiften
Opdrachtkaartje: “Poes wil het drukke plein mooier maken. Teken samen een reuzekaart van Hotsjietonia op karton: waar slaapt Poes? Waar ligt het plein? (Optioneel: plak het later binnen op.)”
2) Hond – doeken – palen → stenen – doeken – palen
Plek: Gebouw (stenen) — Speltype: bouwen/rolspel — Materiaal: palen & doeken
Opdrachtkaartje: “Hond zoekt een fijn hondenhok. Bouw een stevige hut met palen en doeken. Past Hond erin? Nodig Hond even uit!”
3) Eekhoorn – lintjes – bal → bomen – lintjes – bal
Plek: Bos (bomen) — Speltype: tik-/ren — Materiaal: bal
Opdrachtkaartje: “Eekhoorn rent tussen de bomen. Rol-tik: tik iemand door de bal tegen de persoon te tikken (niet gooien). Word je getikt? Spring als eekhoorn drie keer van boom naar boom en doe weer mee!”
4) Otter – loep – wasknijpers → gras – loep – wasknijpers
Plek: Veld (gras) — Speltype: ontdekken/zoeken — Materiaal: loepjes & wasknijpers
Opdrachtkaartje: “Otter houdt van ontdekken. Zoek 3 kleine schatten (blad, steentje, veertje). Klem ze vast met wasknijpers op je vondstenkaart (of touwlijn) en vertel wat je vond.”
5) Otter – lintjes – hoepels → gras – lintjes – hoepels
Plek: Veld (gras) — Speltype: bewegen/behendigheid — Materiaal: hoepels & lintjes
Opdrachtkaartje: “Maak een lintjes‑slangenroute met hoepel‑eilanden. Spring als een otter van rots naar rots zonder het tussenliggende gras aan te raken!”
6) Hond – loep – pionnen → steen – loep – pionnen
Plek: Gebouw (steen) — Speltype: ontdekken — Materiaal: pionnen
Opdrachtkaartje: “Speurneus‑Hond! Zet pionnen uit als speurpunten rond het gebouw. Bij elke pion: wat zie je? (kleur, vorm, getal)”
VariantenVarianten
Fotokaart: vervang gebiedswoorden door foto’s van jullie echte plekken.
Seizoenseditie: herfstvondsten bij loep-spellen; zomer water‑ (Otter!) of schaduwspellen op het plein.
Rebbel’s Ruilbeurs: aan het eind ruilen groepjes één woord en bedenken een nieuwe activiteit ter plekke.
Bevers ontwerpen mee: laat ze nieuwe object‑woorden verzinnen (bv. “muziek” → bellen, trommel).
Voorbereiding (ca 15 min + 10 min)
Maak keuzekaarten: dier‑, object‑ en materiaalkaarten (met woord + pictogram). Teken/print een terreinkaart met de vier gebieden en zet de gebiedswoorden erop: steen, tegels, bomen, gras. Verdeel elk gebied in subvakken en schrijf in elke strook (verticaal/horizontaal) een object‑woord (karton, lintjes, doeken, loep…). Leg materiaalmanden klaar in het lokaal of dicht bij de echte plekken (gebouw/plein/bos/veld). Hang de dierenposters in het lokaal (koppeling dier ↔ plek zichtbaar). Leg eventuele opdrachtkaartjes/spelideeen voor leiding per plek klaar (kort en passend bij object‑ en materiaalwoorden).
Benodigd materiaal
Kaart met vakken (kleur) steen / tegels / bomen / gras en subvakken met object‑woorden (horizontale banen en verticale stroken). Er ontstaat per gebied zo een opdeling in subvakken zoals je met coördinaten kan vinden.
Dier‑/object‑/materiaalkaarten (3 stapels)
Materiaalmanden per plek
Opdrachtkaartjes per speltype
Posters/afbeeldingen van de Hotsjietonia-dieren in lokaal
Veiligheid
Stel duidelijke grenzen aan de speelvelden, werk met een buddy‑systeem, materialen tellen bij inname, bos‑/veldcheck mbt hindernissen.
Tips
Spelregels (vooraf, verwijs ook naar de beverwet):
We kiezen drie woorden samen. We zoeken eerst op de kaart, dan gaan we naar buiten. Samen spelen, samen klaar: iedereen doet mee, we helpen elkaar.
Tips voor leiding:
Visualiseer: gebruik pictogrammen/kleuren voor dier–object–materiaal; bevers koppelen beelden sneller. Stapelen van succes: begin met één combinatie per keer; laat daarna vrije keuze. Rol van leiding: coachend, stel vragen: “Welk woord vertelt de plek?” “Waar zie je dat op de kaart?” Aansluiten op uitdagingsbehoefte:
Makkelijker: geef 2 kaartjes (dier + object) en laat het materiaal vrij kiezen op de plek. Moeilijker: laat ze zélf drie woorden trekken uit drie stapels (blind) en passend spel bedenken.
Beweging vs. rust: wissel tik-/ren‑spellen af met creatief/ontdekken. Tijdmanagement: werk eventueel in rondes van 8–10 min; fluitje of liedje als wisselsignaal.