Waarom / doel van de activiteit
Bezig zijn met toneelspelen, rollen uitbeelden en improviseren.
Beschrijving van de activiteit
Bij het inspringtheater weet niemand van tevoren precies wat er gaat gebeuren. Het verhaal ontstaat terwijl we spelen. Dat maakt het spannend, grappig en soms ook een beetje chaotisch.
Een paar spelers beginnen met een korte scène. Ze spelen een rol en proberen samen een klein verhaal neer te zetten. Maar op elk moment kan iemand anders inspringen. Die komt het toneel op en mengt zich in de scène met een nieuwe rol of een nieuw idee.
Door goed te kijken en te luisteren naar wat er al gebeurt, kun je het verhaal verder helpen. Misschien maak je het probleem groter, misschien los je het juist op, of misschien stuur je het verhaal ineens een heel andere kant op.
Het belangrijkste bij inspringtheater is:
- durven spelen,
- goed samenwerken,
- en je fantasie gebruiken.
En onthoud: fouten bestaan eigenlijk niet in improvisatietheater. Alles wat gebeurt, kan onderdeel van het verhaal worden!
Iedere deelnemer krijgt een kaartje. Op dit kaartje staan twee dingen:
- De rol die de deelnemer zelf moet spelen.
- De rol waarop hij of zij moet reageren.
De spelleider kiest één deelnemer die mag beginnen. Deze speler stapt naar voren en begint een scène te spelen. De speler beeldt de rol uit, maar mag niet letterlijk zeggen welke rol hij of zij is.
Bijvoorbeeld: als op het kaartje rover staat, kan de speler zeggen:
- “Handen omhoog! Dit is een overval!”
- Maar de speler mag niet zeggen: “Ik ben een rover.”
De andere deelnemers kijken ondertussen goed naar wat er gebeurt. Tussen hen zit iemand die op zijn kaartje heeft staan dat hij of zij moet reageren op de rol die nu gespeeld wordt. Zodra die speler denkt dat het moment goed is, kan hij of zij opstaan en het toneel opkomen.
Deze nieuwe speler speelt zijn eigen rol en reageert op de speler die al bezig was. Samen proberen ze er een korte scène van te maken. Het is het leukst als de eerste speler uiteindelijk op een logische manier uit de scène verdwijnt, bijvoorbeeld doordat de rover wegvlucht.
Als er weer maar één speler op het toneel staat, kan de volgende speler – die moet reageren op die rol – zich bij de scène voegen.
Zo gaat het spel steeds door. Uiteindelijk komt de scène weer uit bij de speler die helemaal aan het begin begon. Die herkent dan de rol waarop hij of zij moest reageren en kan nog één keer het toneel opkomen om te reageren.
Daarmee is de cirkel rond en is het spel afgelopen.
Benodigd materiaal
- Kaartjes met rollen:
- Rover (Mensen beroven, stiekem rondkijken)
- Politieagent (Fluiten, mensen aanhouden)
- Dokter (Iemand onderzoeken, verband aanleggen)
- Patiënt (Hoesten, pijn hebben)
- Kok (Roeren in een pan, eten proeven)
- Kritische restaurantgast (Klagen over het eten)
- Koning/Koningin (Koninklijk zwaaien, bevelen geven)
- Nar (Grapjes maken, mensen laten lachen)
- Leraar (Lesgeven, iets uitleggen)
- Leerling (Huiswerk vergeten, vragen stellen)
- Piraat (Schat zoeken, “zwaard” vasthouden)
- Matroos (Zeilen hijsen, dek schrobben)
- Dierenverzorger (Dieren voeren of verzorgen)
- Ontsnapte dierentuindier (Rondsluipen, brullen)
- Detective (Sporen zoeken, vergrootglas gebruiken)
- Verdachte (Zich zenuwachtig gedragen, rond sluipen)
- Brandweerman (Brand blussen, mensen redden)
- Paniekige burger (In paniek om hulp vragen)
- Superheld (Dramatische redding uitvoeren)
- Superschurk (Slecht plan bedenken)
Tips
- De spelleiding moet opletten dat toneelstukjes leuk blijven en dat een speler die klaar is, het toneel ook weer verlaat en anderen hun tijd gunt.
- Als het aantal deelnemers niet klopt met het aantal rollen op de kaartjes, kan de leiding zelf de overige rol(len) op zich nemen om het verhaal in goede banen te leiden, of deelnemers zouden meer dan 1 rol kunnen nemen. Dan wel opletten dat iemand niet op zichzelf hoeft te reageren.









